• Personele administratie
  • Financiele administratie
  • Advies
  • Onderwijshuisvesting
  • Interim-professionals
  • Cursussen
  • Voordeelservice
  • Dienstverleningspakketten
  • Dyademagazines
  • Directeurenochtenden
  • Management Loket
  • Onderwijs Advertenties
  • Downloads & Links
  • Nieuws
  • Veel gestelde vragen
  • Facilitaire dienstverlening
  • samenwerking vastgoed
  • Contact
  • Organisatie
  • Vacatures
  • Vestigingen

Veel gestelde vragen

Financieel



Personeel



Huisvesting 



Wet- en regelgeving



Overige 



PO/VO

Hoe leg ik de relatie tussen beleid en begroting?


Het uitvoeren van beleid zal onvermijdelijk lasten met zich meebrengen die al dan niet volledig worden gedekt door baten. De vertalingen van beleid in een juiste inzet van baten en een goede raming van lasten vormen samen de getallen in een begroting. Een groot deel van de begrote baten en lasten zijn overigens niet nieuw, maar hebben betrekking op bestaand beleid en als vast te beschouwen verplichtingen.

Zonder toelichting is het voor de gebruiker van een begroting dan ook niet mogelijk om het oude te scheiden van het nieuwe. Een goede begroting gaat daarom vergezeld van een uitvoerige toelichting, waarin de baten en lasten voor nieuw beleid duidelijk worden gescheiden van wat al was.

Wanneer moet ik bezittingen afschrijven?


De richtlijnen voor financiële verantwoording in het onderwijs beschrijven hoe u de aanschaf van de wat grotere, duurzame bezittingen (materiële vaste activa) moet laten verwerken. Wanneer u bijvoorbeeld een computer of schoolbord koopt, zal Dyade u aangeven deze als duurzame bezitting op de balans te zetten.

In vaktaal spreekt men dan van het activeren van een aanschaffing. De aanschafkosten brengt u dan niet in één keer ten laste van de exploitatie of ten laste van een ooit hiervoor gevormde reserve of voorziening.
De computer wordt onder het kopje ‘inventaris en apparatuur’ op de balans geplaatst, waarna de jaarlijkse waardedalingen van die computer in meerdere jaren ten laste van exploitatie worden gebracht.

Als de computer ongeveer vier jaar meegaat, dan voert u vier jaar lang een vierde van de aanschafprijs op als afschrijvingskosten en brengt u deze ten laste van de exploitatie. Het is uiteraard niet de bedoeling dat u iedere nietmachine op uw balans gaat zetten. Kleinere aanschaffingen neemt u onmiddellijk voor het gehele bedrag als lasten op in uw exploitatierekening. Alleen grotere aanschaffingen zet u op de balans om er vervolgens op af te schrijven. Richtlijn die wij adviseren is een werkbare ondergrens, zodat u bijvoorbeeld alleen bezittingen met een aanschafprijs van meer dan e 500,- op de balans zet.

Wat is een liquiditeitsbegroting?


Een liquiditeitsbegroting beschrijft alle inkomsten en uitgaven die zich in een bepaalde periode zullen gaan voordoen. In het primair onderwijs is een liquiditeitsbegroting per maand, per kwartaal of per jaar gebruikelijk. Als het banksaldo gering is, zal eerder gekozen worden voor een maandelijkse liquiditeitsbegroting.

Een liquiditeitsbegroting heeft immers als doel na te gaan of er voldoende geld beschikbaar is om aan alle verplichtingen te voldoen. Hoe kleiner het beschikbare banksaldo, hoe vaker men een liquiditeitsbegroting zal opstellen. Ook voor een rijke schoolorganisatie heeft een liquiditeitsbegroting zin. Door deze op zijn minst op jaarbasis op te stellen, wordt duidelijk hoeveel geld er op de normale bankrekening moet staan om te kunnen voldoen aan de lopende verplichtingen.

Al het overige geld kan na die analyse verantwoord rentedragend worden weggezet op spaar- en depositorekeningen. Moet de directeur met de MR overleggen over de managementrapportage, voordat deze naar het bestuur gaat? Nee, formeel is dit niet vereist. Wel is het raadzaam om de MR ook te voorzien van de managementrapportage. Dit komt de betrokkenheid en het advies ten goede en stelt de MR beter in staat haar adviesrol naar behoren te vervullen.

Dyademagazine november 2009

PO


Wat houdt een Spilcentrum in?


Spil staat voor spelen, integreren en leren. In een Spilcentrum zijn (waar mogelijk) peuterwerk, basisonderwijs en kinderopvang (dagopvang en BSO) op één locatie samengebracht of vallen onder één regie. Dit wordt in ieder geval aangevuld met een daaraan gelieerd consultatiebureau in samenhang met elkaar: dit is de minimumvariant. Deze basisvariant kan worden aangevuld met respectievelijk jeugdgezondheidszorg, maatschappelijk werk, welzijn, volwasseneneducatie (voor taalontwikkeling van de ouders), sport en spel en veiligheid. In een Spilcentrum kunnen de ruimten multifunctioneel worden gebruikt.

Per centrum wordt een pedagogisch raamplan opgesteld, waarin staat op welke manier de betrokken partijen de voorzieningen inhoudelijk op elkaar afstemmen. Dit concept is ontwikkeld in Eindhoven, waar ongeveer vijftig Spilcentra worden gerealiseerd, waarin een aantal voorzieningen structureel inhoudelijk en organisatorisch samenwerken. Bron: AOb

Als de groep voor de onderbouw te groot is, kun je de ouders van een 4-jarige dan verzoeken het kind een aantal maanden later op school te laten komen?


Nee, dit is niet mogelijk. De wet op het primair onderwijs (WPO) biedt wel de mogelijkheid om toelatingstijdstippen vast te stellen, maar dit moet minimaal een keer per maand zijn. Het kan dus niet maanden uitgesteld worden, tenzij het onderling met de ouders wordt overeengekomen (de leerplicht geldt vanaf 5 jaar). Deze wettelijke bepaling geldt alleen voor leerlingen die nog niet eerder op een school hebben gezeten. Deze wettelijke bepaling geldt alleen voor leerlingen die nog niet eerder op een school hebben gezeten. Bron: AVS

Kan een leerling ook al voor zijn vierde jaar tot de school toegelaten worden?


In de periode van de leeftijd van 3 jaar en 10 maanden tot het bereiken van de leeftijd van 4 jaar, kan de school kinderen gedurende ten hoogste 5 dagen, dus dit kunnen ook 10 dagdelen zijn, toelaten.
Deze kinderen zijn geen leerlingen in de zin van de wet. Zij tellen dus niet mee op een teldatum van een school. Bron: AVS VO

Ik ben rector van een scholengemeenschap en het bestuur heeft mij opgedragen de eerste week van de zomervakantie te gebruiken om een aantal beleidsdocumenten op orde te maken, omdat de Inspectie deze onvoldoende vond. Ik was het daar niet mee eens, omdat ik volgens mij recht heb op verlof gedurende de schoolvakantie. Heb ik gelijk?


In de CAO-VO is inderdaad bepaald dat werknemers die een directiefunctie of een functie als leraar hebben, aanspraak hebben op de schoolvakanties met behoud van salaris. Maar er staat nog meer. In het vierde lid van artikel 8.1 van deze cao staat dat de werkgever de werknemer kan opdragen werkzaamheden te verrichten tijdens het vakantieverlof. Voor directieleden geldt daarbij een maximumperiode van een week. Bron: AOb

In het verleden heb ik een lesmethode ontwikkeld voor de onderbouw van het gymnasium. Ik ben nu in onderhandeling met een uitgever om hiervan een commercieel project te maken. Nu stelt mijn werkgever dat ik de verdiensten uit dit project niet zelf mag houden. Heeft mijn werkgever gelijk?


Indien u de lesmethode heeft ontwikkeld op verzoek van uw werkgever berust het auteursrecht niet bij u, maar bij uw werkgever. Dat betekent dat, als hierover geen andere afspraken zijn gemaakt, uw werkgever gelijk heeft. Artikel 12.5 van de CAO-VO bepaalt hierover: ‘Indien en voor zover de functie van de werknemer mede omvat het, in opdracht van de werkgever, vervaardigen van bepaalde werken vallend onder het auteursrecht, berust het auteursrecht van die werken bij de werkgever, tenzij anders wordt overeengekomen’.

Dyademagazine oktober 2009

PO


Wat maakt een basisschool tot een sterke school?


De Inspectie van het Onderwijs doet onderzoek naar de specifieke kenmerken van een sterke basisschool. De informatie die dat onderzoek oplevert kan volgens staatsecretaris Dijksma (zwakkere) basisscholen helpen om hun onderwijskwaliteit te verbeteren. Een basisschool wordt als 'sterk' bestempeld als de leerprestaties drie jaren achtereen bovengemiddeld zijn. Ongeveer zeven procent van de scholen in Nederland valt in die categorie. Volgens de staatssecretaris is een opbrengstgerichte aanpak een belangrijke verklaring voor het succes. Ze ziet graag dat alle scholen op deze manier te werk gaan.

De PO-raad steunt dit beleid en stimuleert scholen daarom ook om meer opbrengstgericht te gaan werken. De raad heeft vastgesteld dat met name wat betreft de basisvaardigheden in taal en rekenen deze aanpak bij een toenemend aantal scholen ingang vindt. De PO-raad: “Het afgelopen jaar is er wat dat betreft duidelijk een cultuurverandering begonnen in het primair onderwijs. Op alle niveaus (klas, school, bestuur) komt opbrengstgericht werken op de agenda te staan. Inmiddels werken er zo'n honderd besturen heel gericht aan het versterken van het opbrengstgericht werken door middel van deelname aan impulstrajecten. Besturen zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs op hun scholen en nemen deze verantwoordelijkheid in toenemende mate.”

Op dit moment nemen ongeveer 1.850 scholen deel aan verbetertrajecten taal en rekenen en aan taalpilots. Met ingang van augustus 2010 worden in het basisonderwijs referentieniveaus voor taal en rekenen ingevoerd. Bron: Besturenraad VO

Wat houdt de pilot benchmarking kwaliteit scholen in?


Voor de zomervakantie van 2009 is de derde groep middelbare scholen gestart met de pilot, die moet leiden naar een benchmark van de kwaliteit van het onderwijs in het voortgezet onderwijs. Het project moet een tegenwicht bieden aan lijsten van schoolprestaties, zoals die jaarlijks worden gepubliceerd door dagblad Trouw en weekblad Elsevier. De lancering van de benchmark is in 2010.

In de ogen van veel schoolleiders en bestuurders in het voortgezet onderwijs bieden die lijstjes een ongenuanceerd beeld van de schoolprestaties. Deze lijstjes bestaan vooral uit harde gegevens, zoals examencijfers, maar ze geven weinig of geen inzicht in de resultaten op andere gebieden, zoals sfeer en veiligheid en de mate van tevredenheid van ouders en leerlingen, en de context waarbinnen een school opereert.

Vanuit de VO-raad is daarom in 2008 het initiatief Vensters voor Verantwoording genomen. Het is ook een aanvulling op de Opbrengstenkaart van de Onderwijsinspectie. De benchmark stelt niet alleen scholen in staat om de eigen prestaties met die van anderen te vergelijken, maar is ook een mogelijkheid om aan de omgeving te laten zien hoe men presteert. Deze maatschappelijke verantwoording moet ruimte bieden aan dialoog.
In het voortgezet onderwijs is veel interesse om aan het project mee te doen. Er zijn tachtig scholen in het hele land geselecteerd om aan de pilots mee te doen, maar het aantal kandidaten dat zich had gemeld was veel hoger. De proef moet onder meer leiden tot een set van gemeenschappelijke indicatoren. Scholen kunnen bij elke prestatie op een indicator een eigen toelichting geven.
Bron: Besturenraad

Algemeen


Er is sprake van een conflict tussen de directeur en de ouderraad. Moet de MR hier iets mee? En zo ja, welke rol kan de MR hierin spelen?


De MR komt in de beschreven situatie geen formele rol toe. Ook niet in de zin dat van de MR zonder meer verwacht mag worden hierin op te treden. Aan de andere kant biedt dit de raad een zekere onafhankelijke positie, van waaruit de MR desgewenst een bijdrage zou kunnen leveren aan de mogelijke oplossing voor de ontstane conflicten/spanningen.
Zorgvuldigheid en tact zijn dan wel geboden. En afstand houden. Voorkomen moet worden dat de raad zich
voor het karretje van (groepen) personen laat spannen. Vanuit zijn initiatiefrecht kan de MR naar het schoolbestuur toe voorstellen doen voor de zaken die naar de mening van de raad moeten worden aangepakt of moeten worden gedaan om tot een oplossing te kunnen komen.


Dyademagazine september 2009

PO Huisvesting


Hoe werkt het onderwijshuisvestingssysteem?


Iedere gemeente stelt een Verordening Huisvesting Onderwijs vast. In de meeste gevallen wordt door de gemeente de modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) overgenomen.
In deze verordening is onder andere vastgesteld welke voorzieningen voor bekostiging in aanmerking komen en welke criteria en procedures hiervoor gelden. De verordening kan dus wel per gemeente verschillen. In het kort komt het volgens de modelverordening neer op het volgende. Een bestuur van een school, dat een huisvestingsvoorziening wil, moet die bij het college van burgemeester en wethouders aanvragen. Het college stelt jaarlijks, op basis van de regels in bovengenoemde verordening,
het Huisvestingsprogramma Onderwijsvoorzieningen (HPO) vast. Hierin staan huisvestingsvoorzieningen die
worden toegekend en een overzicht van huisvestingsvoorzieningen die worden afgewezen. Dit is de formele kant van het verhaal. In de praktijk zou het anders moeten werken en in veel gevallen is dat ook al zo.


Gemeente en schoolbesturen hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting. In het OOGO (Op Overstemming Gericht Overleg) komen zij hierover met elkaar tot afspraken. De gemeente dient hierbij de financiële en materiële gelijkstelling wel te waarborgen. In veel gevallen wordt er al gewerkt met een IHP (Integraal Huisvestingsplan), waarin de huisvestingssituatie, in overleg met de schoolbesturen, al voor meerdere jaren wordt bekeken. Het HPO blijft wel het document waarmee ieder jaar de voorzieningen formeel worden goedgekeurd. De huisvestingsverordening zou eigenlijk vooral moeten dienen bij die situaties waar gemeente en schoolbesturen er met elkaar niet uitkomen.

Wij willen twee scholen laten fuseren. Daarvoor is nieuwbouw nodig en wordt een
schoolgebouw verbouwd. Komen we door de fusie in aanmerking voor extra geld
voor uitbreiding eerste inrichting?


Nee, bij fusie is alleen sprake van aanvullende bekostiging eerste inrichting als de totale behoefte aan inrichting na de fusie groter is dan de inrichting zoals die ‘ooit’ door de gemeente voor de gezamenlijke fusiescholen is bekostigd. Schoolbesturen ontvangen zelf een normvergoeding voor vervanging van inrichting.


Wat is het verschil tussen een nevenvestiging en een dislocatie?


Een dislocatie ontstaat wanneer niet alle leerlingen in het hoofdgebouw van de school kunnen worden gehuisvest. Op het moment dat alle leerlingen weer in het hoofdgebouw passen, vervalt het recht op het gebruik van de dislocatie. Een nevenvestiging heeft een meer structureel karakter. De bekostiging wordt pas stopgezet wanneer drie schooljaren niet meer is voldaan aan de voorwaarden waaronder de nevenvestiging tot stand kwam. Voor de werkzaamheden en kosten die samenhangen met de instandhouding van de nevenvestiging ontvangt de school extra geld voor zowel personele als materiële uitgaven.


Wanneer is sprake van verplaatsing en wanneer van verhuizing van een school?


Verplaatsingen leiden altijd tot verhuizingen, maar niet alle verhuizingen leiden tot verplaatsingen, dat wil zeggen raken aan de stichting of instandhouding van scholen.
Het voedingsgebied van de school is het gebied waaruit de school zijn leerlingen betrekt. Verhuist een school naar een locatie buiten het eigen voedingsgebied, dan is er sprake van verplaatsing. Wanneer een school verhuist binnen het eigen onveranderde voedingsgebied is er geen sprake van verplaatsing. Een verhuizing hoeft in principe alleen te worden gemeld aan CFI en de minister van OCW . Voor verplaatsing moet goedkeuring worden gevraagd aan de minister van OCW.


Kunnen we ook buiten de reguliere aanvragen om een huisvestingsaanvraag indienen?


Ja, dat kan. Onder voorwaarde dat uw aanvraag niet kan worden uitgesteld, gelet op de voortgang van het onderwijs. Hiervoor bestaat een speciale spoedprocedure.

Mag de gemeente een bekostigingsplafond instellen?


Ja, dat mag. De gemeente heeft de mogelijkheid om binnen de totale gemeentebegroting een budgettaire afweging te maken tussen noodzakelijke voorzieningen. Dit kan de gemeente doen op basis van behoefte en beleidsvoornemens.
Het vastgestelde budget moet wel groot genoeg zijn, om nog redelijkerwijs in de huisvesting te kunnen voorzien: het onderwijs op school moet wel door kunnen gaan.


Dyademagazine augustus/juli 2009

Ik heb gehoord, dat de overheid de samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven
in een aantal gevallen subsidieert. Wat houdt dit in?


De ministers Van der Hoeven (Economische Zaken), Plasterk (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) en Verburg (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) stellen gezamenlijk vier miljoen euro beschikbaar voor ‘Onderwijs Netwerk Ondernemen’. Daarmee willen ze de samenwerking tussen scholen en bedrijfsleven versterken. Scholen in het primair en voortgezet onderwijs, mbo-instellingen, lerarenopleidingen en onderzoeksinstellingen kunnen subsidie aanvragen.
Het doel van het initiatief is dat meer leerlingen en studenten zich ondernemend gaan gedragen. Doordat ze meer inzicht krijgen in wat ondernemerschap inhoudt, zullen ze na afronding van hun opleiding eerder een eigen bedrijf beginnen, zo is het idee. Met de subsidie kunnen scholen (per regio of per sector) samen met het bedrijfsleven een netwerk opzetten, waardoor gemakkelijker kennis wordt uitgewisseld en ondernemen wordt verankerd in het onderwijs.

Per netwerk bedraagt de subsidie 75 procent van de kosten, met een maximum van e 150.000,-. Een onderwijsinstelling dient namens alle participerende partijen de aanvraag in. Subsidieaanvragen kunnen tot en met 15 juni 2009 worden ingediend. Meer informatie vindt u op www.onderwijsonderneemt.nl.
Bron: Besturenraad


Wat moet een goed werkgever doen bij schadelijke geruchten over een werknemer?


Op 16 oktober 2007 (gepubliceerd op 9 mei 2008) heeft het Hof ’s-Hertogenbosch een uitspraak gedaan over de wijze waarop een werkgever binnen het voortgezet onderwijs handelde nadat zijn werknemer werd geconfronteerd met geruchten over seksuele intimidatie.
Het Hof oordeelde in deze zaak dat het gedrag van de werkgever niet zorgvuldig was geweest.

De werkgever had zich in moeten spannen om de bron van het gerucht te achterhalen en had een deugdelijk en inzichtelijk onderzoek moeten doen. Uit deze uitspraak kan worden opgemaakt dat van de werkgever mag worden gevraagd dat hij de werknemer zuivert van eventuele blaam. Zowel de werkgever als de werknemer dienen zich verantwoordelijk en professioneel op te stellen. Het beginsel van hoor en wederhoor neemt hierbij een belangrijke positie in. Ook is een goede verslaglegging van het onderzoek van belang. Het onder dreiging van een ontslagprocedure aan de werknemer opleggen van een spreek- en onderzoeksverbod is in ieder geval in strijd met goed werkgeverschap.
Bron: VO-raad


Hoe staat het met de ontwikkeling van brede scholen in Nederland?


Staatssecretaris Dijksma gaf onlangs op het zesde Jaarcongres Brede School in Utrecht het startsein voor het Landelijk Steunpunt Brede Scholen. Dit steunpunt biedt de komende drie jaar ondersteuning aan het primair en voortgezet onderwijs. Dijksma wil de komende twee jaar driehonderd extra brede scholen realiseren. In 2011 moeten in Nederland vijftienhonderd basisscholen samenwerken met andere instellingen zoals kinderopvang, welzijnswerk, de muziekschool of sportvereniging.

Het kabinet wilde aanvankelijk twaalfhonderd brede scholen realiseren in 2010, maar die doelstelling wordt dit
jaar al gehaald. Het doel van brede scholen is om de ontwikkelingskansen van kinderen te vergroten.
Gemeenten kunnen per basisschool een subsidie aanvragen van maximaal een half miljoen euro. Hiermee kunnen ze de huisvesting uitbreiden, wat nodig is voor alle extra activiteiten. Dijksma heeft hiervoor 28 miljoen euro in kas. Zie ook ‘Korte berichten’.

Dyademagazine juni 2009